27 februari
Zeer geachte mejuffrouw Doornroosje,
Hierbij deel ik u mede dat ik, prins, er voorgoed van afzie u wakker te kussen.
Ik hoop dat ik u hiermede niet in uw slaap hinder of de ontplooiing van uw slaapbehoefe op enigerlei wijze verstoor.
Ik besef terdege dat het zeer wel denkbaar is dat u mij dit besluit zult kwalijk nemen, dat mogelijkerwijze tot uw blijvende heengaan zal leiden, terwijl ik toch zolang en zo hardnekkig naar u onderweg ben geweest.
Een verklaring blijf ik u schuldig.
Maar weet wel dat mijn geweten verwoest is en dat mijn schaamte inmiddels dermate groot is dat ik zelfs de honden van mijn vader niet meer onder ogen durf te komen.
Hoe het leven verder met mij zijn beloop zal hebben is mij vooralsnog een onontwarbaar raadsel, waavan de ontknoping zich wellicht nimmer zal aandienen zolang ik leef.
Slaapt u inmiddels met gerust hart langzaam en regelmatig verder.
Het menselijk bestaan biedt tegenstellingen en onoplosbaarheden.
De geur van rozen zal u goed doen.
Dit terwijl ik nog meer
uw
Prins
(Uit: Brieven aan Doornroosje, Toon Tellegen, Querido Uitgeverij 2002)












