30 maart
Doornroosje,
Het regent.
Ik blader verder in het boek over het wakker maken van het onwakkermaakbare.
Ik zoek kussen op. Wakker kussen.
Ik vind slechts een voetnoot.
"Het idee van wakker kussen van het onwakkermaakbare berust op een misverstand.
Het onwakkermaakbare zal door kussen of andere liefdesbetuigingen zo mogelijk nog onwakkermaakbaarder worden en degene die het op deze manier poogt wakker te maken
wordt een object van spot voor al degenen die zich op eerlijke wijze
met het wakker maken bezighouden respectievelijk daar hun levensvervulling in vinden."
Ik knip de bladzijde waarop dit staat uit het boek en scheur hem in snippers.
Opeens bedenk ik iets.
Ik leg het boek op tafel.
Ik boor een gat in het midden en zet daar een stuk hout in.
Ik scheur de mouwen van mijn grijsblauwe hemd af en maak er zeilen van.
(Nooit was ik zo handig als vandaag.)
Ik doe het raam open.
Het is opgehouden met regenen. Ik schrijf op de zijkant van het boek: "De duif".
En weg zeilt zij - "De duif" - over de grijze wateren in de richting van de ondergaande zon.
Geen boek meer, maar een schip.
Als zij uit mijn gezicht is verdwenen staan kleine blauwe mannetjes uit de bladzijden op,
klimmen aan dek, gooien letters in de lucht en juichen.
Middenin de nacht zal ergens in het ruim één woord ontwaken, dat nu nog slaapt.
Dat woord zal... bijna had ik geschreven: de wereld redden.
Nee.
De wereld wordt niet gered.
P.
(Uit: Brieven aan Doornroosje, Toon Tellegen, Querido uitgeverij 2003)