Doornroosje,
Hoe vaak zal ik nog bij je kasteel aankomen?
Nog een paar honderd keer, op zijn minst.
Misschien zal ik niets anders meer doen, dag in , dag uit,
dan mij een weg banen door de rozenhagen,
over de gebarsten modder van de slotgracht lopen,
door een gat in de muur klimmen,
het skelet van een lakei zien,
met naast hem de brieven die ik je heb geschreven, ongeopend,
netjes geordend, op stapeltjes met touwtjes eromheen,
en de trap op lopen naar jouw zolderkamer.
Dat alles zal nooit veranderen.
Jij zult achter die deur slapen of wakker zijn, of gevlogen.
Of woedend zijn.
Of lelijk of klein als een speldenknop of walgelijk opgeblazen,
de hele kamer vullend.
Of bitter of idioot of boos.
Want als ik aan de deur luister, mijn adem inhoud en de deur langzaam openduw,
zal het elke keer weer anders zijn.
Zo is ongeveer het leven, volgens mij.
Als je het nauwkeurig bekijkt is het voor iedereen hetzelfde,
de variaties zijn te gering om een naam te hebben.
Maar dan komt het moment van onze dood (een deur die opengaat!)
en is plotseling alles voor iedereen anders.
Als doden elkaar zouden tegenkomen: ze zouden elkaar niet herkennen.
Ik bedoel: als een stofje en een adelaar elkaar tegenkomen,
of een kiezelsteen en een bliksemschicht,
of een roodfluwelen sofa en een stekelbaarsje: ze zeggen elkaar niets.
Of begrijp je er nu niets meer van en denk je:
Hou op! Bewaar je onzin maar voor laat op de avond in een café.
Kus me liever!
Stond ik maar voor je deur, met bonzend hart,
mijn hand aan de deurknop.
Desnoods voorgoed.
P.
(Uit:Brieven aan Doornroosje, Toon Tellegen, Querido 2002)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten