Doornroosje,
Als ik je heb wakker gekust ga ik in een stoel zitten, in een hoek van je kamer.
Jij zit op de rand van je bed.
We zeggen eerst niets.
Jij geeuwt, rekt je uit, wrijft in je ogen, kijkt om je heen en ziet mij zitten.
"Wie bent u?" vraag je, met grote ogen. (Ik zie je ogen voor het eerst.)
Ik zou kunnen zeggen: "Een prins..." maar dat zou tamelijk belachelijk klinken.
Ik haal mijn schouders op.
"Waarom zegt u niets?" vraag je. Je stem is al iets wakkerder.
Ik schraap mijn keel.
"Dorst!" roep ik. Ik ben je voor.
Even later vliegt de deur open en stormen je lakeien naar binnen
met bladen met champagne en schaaltjes met haring en bonbons.
Sommigen hebben ook trompetten en violen bij zich.
We drinken en dansen en vallen tenslotte op het bed neer.
"Dit bed komt mij bekend voor," zeg je. Je bent meteen al hees,
want je hebt in geen honderd jaar je stem gebruikt.
We sturen je lakeien weg en doen de deur achter hen op slot.
Het banale einde van een banale geschiedenis.
In het sentimentele ochtendlicht dat door je goedkope luiken naar binnen valt
liggen we in elkaars armen. (Hoestend, vanwege het stof.)
"Wie ben je?" vraag je.
Tja. Wie ben ik.
P.
(uit: Brieven aan Doornroosje, Toon Tellegen, Querido 2003)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten