zaterdag 17 december 2011

Uit de brieven van de prins...

25 februari


Doornroosje,

Natuurlijk ben ik niet de enige die op weg is naar jou.
We zijn met zijn duizenden.
Maar de wereld is groot. We komen elkaar nooit tegen, totdat we
bij jouw kasteel aankomen.
We arriveren allemaal tegelijk.
Het ziet zwart van de prinsen.
"Doornroosje," roepen we. "Doornroosje!"
We dringen, lopen elkaar onder de voet, gooien elkaar in de slotgracht,
zakken in de grond van schaamte of barsten in een schril soort lachen uit.
Daar, die bewegingen van het gordijn voor het zolderraam,
ben jij dat, wakker geschrokken?
Woedend, dat je niet gewekt bent door een kus, maar door geschreeuw?
Je haat ons.
Als je emmers water of pek hebt stort je ze
met grote liefde en toewijding over ons uit.
Wij druipen af, met zijn duizenden. Jij gaat weer slapen.
(Misschien geeft een lakei je vlug even een boterham en een kopje thee,
omdat je toch wakker bent.)
Alle prinsen verspreiden zich weer, gaan verschillende richtingen uit, moe, teleurgesteld.
Maar misschien zijn ze ook opgelucht. Sommigen.
Ver van jouw kasteel vallen ze in slaap, in valleien, bossen, steppen.
Ze dromen dat jij hen wakker kust en in hun oren fluistert:
"Jij bent mijn prins. Alleen jij."
Ik slaap.
Ik droom zo duidelijk mogelijk.
Een van de duizenden.

P.

(Uit: Brieven aan Doornroosje, Toon Tellegen, Querido 2002)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten